Op de fiets door Albanië

10 aug 2011

Onze medewerker Philip Duyck fietst langs de Albanese kust: de hoogtes en de laagtes.

Fietsen in Albanië, hoe begin je dááraan? De weinige reisgidsen die erover het land bestaan zwijgen erover in alle talen of raden het koudweg af: het verkeer is te gevaarlijk, de wegen te slecht. Enkele getuigenissen van onverschrokken toerfietsers en live-verslagen op internet trekken ons over de streep. We beginnen voorzichtig en zetten onze opgetuigde Koga Terraliner het vliegtuig op naar het Griekse Korfoe, op een half uurtje varen van de Zuid-Albanese havenstad Saranda. Bevalt het ons niet, dan kunnen we meteen weer terug. Maar uiteindelijk blijkt een weekje Albanië natuurlijk véél te kort.

Dat onze identiteitskaarten volstaan voor de ons routineus doorwuivende douaniers in het haventje van Saranda, is al een stevig pluspunt. Korfoe zit vol bruingebakken toeristen die de gezapige sleur van taverna en kafeneion weleens willen ontvluchten en die dat doen door een dagje Albanië, Shqipëria voor de locals, te boeken. Avontuur verzekerd, en het staat leuk op Facebook of het postkaartje naar huis.

Straffe espresso’s

Waneer we Saranda binnenrijden,  worden onze verwachtingen ingelost: grauwe appartmentsblokken, een donker jongetje dat agressief om een euro bedelt, en rook uitbrakende, tot de draad versleten Mercedessen 200. Maar dan blijkt al snel dat we aan de foute kant van de stad zitten. De wandelboulevard en de restaurantjes zijn gezellig mediterraan, de sfeer is relaxt, met veel gezinnen met kinderen en ander jong volk. Even genieten, hierna begint het echte werk. Na een straffe espresso of twee, Italian style met een glaasje water, zetten we onze kuiten onder hoogspanning en fietsen we de uitvalsweg richting Vlora op: een nijdige klim van een kilometer of twee over een drukke viervaksweg. Het kwik wijst dertig graden aan, waar zijn we aan begonnen.

Aan het eerste kruispunt rijden we al verkeerd, want er staat niks aangeduid. We moeten een kilometer terug over een steile gravelweg vol toeterende vrachtwagens en bussen. Een jongetje op een bmx houdt ons moeiteloos bij. Gelukkig zitten we al snel op de goede weg en na enkele kilometers steenstort, vuilnisbelt en een cementfabriek rijden we eindelijk doorheen de fraaie, groene Albanese heuvels. Links een bronnetje, rechts een oud kerkje: we herbronnen. Dan komt de eerste klim, het is nog steeds dertig graden en we zijn maar wat blij met ons soepel draaiende eerste verzet. We hebben onze Koga Terraliner opgetuigd met Ortlieb zij- en stuurtassen. De fiets kan dankzij het Tubus- bagagerek tot 25 kilo aan, maar voor een weekje is dat teveel. Bovendien hebben we geen tent bij, de hotelletjes schieten hier toch als paddenstoelen uit de grond.

Stabiel afdalen

Voorbij het bergdorpje Lukovë, met zijn afbladderende woonkazernes en bruine koeien op straat, slingert de weg zich weer naar de kust toe. In de verte zien we Korfoe en de eveneens Griekse Diapondia-eilanden Othoni, Ereikoussa en Mathraki. Een schitterend kustpanorama, dat ons de hele tocht lang zal vergezellen. De lucht geurt hevig naar thijm. Rechts van ons ligt het onherbergzame binnenland van Albanië. Het is heerlijk rijden op de kustweg: er is weinig verkeer en de bestuurders zijn hoffelijk. Af en toe worden we ingehaald door bussen en vrachtwagens die ons met een wijde boog, maar flink toeterend, omzeilen.  We voelen ons veilig, ook in de afdalingen, het extra stijve Triple Alloy-frame van onze Koga zorgt voor een heerlijk stabiel gevoel en laat precisiesturen toe bij meer dan vijftig per uur. Toerfietsen hoeft niet altijd dieselen te zijn. In tegendeel: wanneer drie kwaaie Albanese herdershonden nijdig naar onze kuiten happen, zijn we blij dat we stevig kunnen demarreren.

Onze eerste nachtstop houden we in het kustdorp Borsh. De kustroute heuvelt als de rups op de kermis: vanop zeeniveau puf je 400 meter naar omhoog, daarna is het weer naar beneden suizen tot op zeeniveau. Om vervolgens alwéér enkelen honderden meters te moeten stijgen. Dat, samen met de temperatuur en ons bagage, maakt het fietsen behoorlijk zwaar. We zijn blij als we in Borsh kunnen inchecken in het gloednieuwe Bella Vista hotel, een privé-initiatief van Enver, een kaalhoofdige Albanees met een Cockney-accent en spieren als scheepskabels, die met zijn glanzende zwarte, jawel, Mercedes heen en weer pendelt tussen Londen en Albanië. Hij is beleefd en voorkomend en hij was net zijn plantjes aan het wateren, maar iets zegt ons dat we géén ruzie met hem willen. Voor 12.50 euro per persoon op een kraaknette kamer is met badkamer en TV is daar ook geen reden toe.  De fietsen mogen veilig achter het ijzeren hek. Samen met een koppel Zwitserse motorrijders zijn de we enige gasten, dat zullen we nog vaker meemaken in Albanië.

Communistisch vakantiekamp

Wanneer we de volgende dag op weg gaan, is het alweer flink warm. De kustroute wordt nog mooier en is hier ook eventjes wat vlakker. We passeren het Byzantijnse fort van Porto Palermo, een soort gigantisch Fort Boyard waarin je flink kunt verdwalen. Vanop de vestingmuren  schittert de Ionische Zee ons tegemoet. Een klas pubers uit Fier op schoolreis maakt het terrein onveilig, en Clark, de suppoost neemt ons bij de arm om een praatje te maken. Aan zijn schouder bungelt een ouderwets jachtgeweer. Vroeger was het hier een communistisch vakantiekamp, hij wijst op de afbladderende opschriften op een paar lege barakken. We onderscheiden inderdaad de woorden ‘partij’ en ‘programma’. Onder dictator Enver Hoxha (1946-1985) was Albanië het Noord-Korea van Europa, potdicht afgesloten voor de buitenwereld. Hoxha liet honderdduizenden ronde bunkertjes bouwen om de nakende invasie van het kapitalistische Westen te kunnen afslaan, je ziet ze nog overal staan langs de kust. Volgens Clark wordt dit stuk Albanië binnenkort een vakantieparadijs. “Als we maar niet worden als Griekenland, want daar gaat het slecht.” Zo zie je maar weer hoe maatstaven kunnen veranderen.

De soepel schakelende Shimano  XT-derailleur  van onze Koga bewijst alweer goede diensten, want na het stadje Himara gaat het steil de hoogte in. We passeren het kerkhof: vol Griekse opschriften en orthodoxe kruisen. Het viel ons al op, dit deel van Albanië is tweetalig Grieks-Albanees. Op de muren staan overal graffiti’s met het opschrift Mega-Hellas: Groot-Griekenland. Het is een aspect van Balkannationalisme dat we nog niet kenden. Maar blijkbaar zijn niet alle inwoners overtuigd van het heil van een aansluiting bij Griekenland, want af en toe zien we dat het woord ‘Mega’ overspoten werd met ‘Fuck’. Twee toerfietsers uit Duitsland kruisen ons, ze zijn op weg naar Israel met hun gesofisticeerde tweewielers met Rohloff-versnellingsnaaf. Stevig materiaal, ze zullen het nodig hebben. We eten een heerlijk gekruid vleesspiesje aan een bushalte, een tienermeisje staat ze vrolijk te bakken op de barbecue. Wij bakken verder op het zwarte asfalt, het weerbericht op TV is formeel: we fietsen doorheen een hittegolf.

Seafood en ouzo

Na een alweer kilometerslange heuvelrug, zien we links in de diepte de witte stranden van Dhërmi liggen, het eindpunt van onze Ionische Zeeroute. Daarna kronkelt de weg via het binnenland verder naar de havenstad Vlora. Daarvoor moet je eerst de 1100 meter hoge Llogara-pas over. De pas ziet er afschrikwekkend uit vanuit de verte: een kilometerslange steile klim zonder schaduw, omringd door steile kale karstbergen. We houden hem in reserve voor een volgende keer en zetten de afdaling in naar Dhërmi. Hier vind je de mooiste ongerepte stranden van de Albanese kust. Hopen maar dat dat nog even zo blijft, want de constructiewoede die er in het land heerst, bereikt hier schijnbaar zijn hoogtepunt: overal wordt gehamerd, geklopt en geboord. We relaxen op het heerlijke houten terras van Luciano’s Café en bestellen een geweldige zeevruchtensalade: voor amper vijf euro smullen we van een heerlijk riante portie calamari, mosselen en sint-jacobsvruchten. Tirana-biertje of ouzo erbij, en het idee ‘fietsvakantie’ krijgt een heel nieuwe invulling.

Wieland De Hoon en Philip Duyck

Praktisch: met de fiets het vliegtuig op naar Albanië

Fietsen in Albanië is eenvoudig én een uitdaging. Het land is gemakkelijk bereikbaar vanuit charterbestemmingen als Korfoe (Griekenland) of Tivat (Montenegro), of via een lijnvlucht naar Tirana. De ferry tussen Korfoe en Saranda kost 46 euro retour, fietsen incluis. Op de chartervlucht met JetairFly konden de fietsen mee voor 20 euro. Zorg voor een speciale fietsdoos, demonteer de pedalen zet je stuur in het verlengde van het wiel. Probeer de box bij aankomst ergens in bewaring te geven (een kantoor, een café, een winkel,…), je hebt hem weer nodig voor de terugvlucht. Pas op, elke luchtvaartmaatschappij heeft zijn eigen transportvoorwaarden.

In Albanië is de kustweg prima, maar verschillende wegen in het binnenland zijn bouwwerven of gewoon nog heel slecht. Voorzie lekbestendige buitenbanden (wij gebruikten semi-slick Schwalbe Marathons). Een rondrit impliceert heel wat kilometers en serieus (en steil!) klim- en daalwerk. Wij ervoeren het verkeer als oké, maar oppassen blijft de boodschap. In het donker rijden is totaal af te raden. In het binnenland kan accommodatie wel eens schaars zijn, overweeg dan om te kamperen of bij mensen thuis te logeren. Albanië is verder een veilig land, met vriendelijke gastvrije mensen, waar toerisme nog in zijn kinderschoenen staat. De beste fietsperiode is april-mei en september-oktober.

Geraadpleegde lectuur: